Zelfstandige naamwoorden (Yo bebo una cerveza)

Hoe werkt het?

In Spaans zijn alle zelfstandige naamwoorden (dingen, mensen, dieren, plaatsen, gevoelens) ofwel mannelijk of vrouwelijk.

Zelfstandige naamwoorden eindigend met O zijn meestal mannelijk,  
Zelfstandige naamwoorden eindigend met A zijn meestal vrouwelijk.

Dit is erg handig als het gaat over zelfstandige naamwoorden met geslacht. Bijvoorbeeld:
Hermano/a (broer/zus)
Maestro/a (leraar/lerares)
Abuelo/a (opa/oma)
Maar er zijn veel uitzonderingen…

Bepaald/onbepaald lidwoord

Bepaald (speciefiek)

Mannelijk enkelvoud: EL (EL teléfono = De telefoon)

Vrouwelijk enkelvoud: LA (LA casa = Het huis)

 

Onbepaald (niet speciefiek)

Mannelijk enkelvoud: UN (UN teléfono = Een telefoon)

Vrouwelijk enkelvoud: UNA (UNA casa = Een huis)

 

Meervoud

We voegen gewoon een S toe aan het einde.

Dus CERVEZA wordt, CERVEZAS, TELEFONO, TELEFONOS y BILLETE, BILLETES

Maar als het zelfstandig naamwoord met een medeklinker eindigt (elke letter behalve A, E, I, O, U) dan voegen we in plaats van alleen maar een S, ES toe.

Dus FLOR (bloem) wordt FLORES y ERROR (fout), ERRORES.

 

De lidwoorden woorden óók meervoud.

La cerveza (bier) maar LAS cervezas,

EL teléfono (de telefoon) hebben we … LOS telefonos.

Voor een onbepaalde groep van dingen (sommige tafels of een telefoon):
UNAS mesas of UNOS teléfonos.

O ja, wat gebeurt er als we een gemengde groep van, laten we zeggen 99 vrouwen en 1 man hebben … ja, de hele groep is mannelijk…

Meest voorkomende (A/O) zelfstandige naamwoorden

La comida (het eten)

El pollo (de kip)

El pescado (de vis)

La fruta (het fruit)

La verdura (de groente)

La patata (de aardappel)

La pasta (de pasta)

El vino (de wijn)

La cerveza (het bier)

El zumo (het sap)

La cebolla (de ui)

El ajo (de knoflook)

El pimiento (de paprika)

La mantequilla (de boter)

La ensalada (de salade)

La sopa (de soep)

El huevo (het ei)

El queso (de kaas)

En la cocina (in de keuken)

El plato (Het bord)

La botella (de fles)

El cuchillo (het mes)

El vaso (het glas)

La taza (het kopje)

La copa (het glas -wijn, champagne-)

La servilleta (het servet)

La cuchara (de lepel)

La cucharita (de theelepel)

El horno (de oven)

La olla (de kookpot)

 

 

 

 

 

 

En la casa (in het huis)

La puerta (de deur)

La ventana (het raam)

La mesa (de tafel)

La silla (de stoel)

La cama (het bed)

El espejo (de spiegel)

El techo (het dak/plafond)

El piso (de vloer)

 

Lugares (plekken)

La playa (het strand)

La montaña (de berg)

La plaza (het plein)

El Rio (De rivier)

El barrio (de buurt)

La discoteca (de club)

El aeropuerto (het vliegveld)

La parada (de halte)

 

El tiempo (het weer)

El frío (de kou)

La lluvia (de regen)

El viento (de wind)

La tormenta (de storm)

La llovizna (de motregen)

 

 

 

 

 

El cuerpo (het lichaam)

La cabeza (het hoofd)

La pierna (het been)

La espalda (de rug)

El brazo (de arm)

El pelo (het haar)

El dedo (de vinger)

El estómago (de buik)

La oreja (het oor)

La boca (de mond)

El ojo (het oog)

La ropa (de kleding)

La camisa (het overhemd)

La camiseta (het t-shirt)

El zapato (de schoen)

La zapatilla (de sportschoen)

El abrigo (de jas)

La gorra (de pet)

El gorro (de muts)

El vestido (de jurk)

La pollera/falda (de rok)

El transporte (vervoer)

El auto (de auto)

El barco (de boot)

La bicicleta (de fiets)

La motocicleta (de motor)

El caballo (het paard)