Spaans beginners platform

¿Qué?, ¿Cómo?, ¿Por qué?, ¿Dónde?... vraagwoorden!

divisor

Het maken van vragen in het Spaans is vrij eenvoudig

  • Estás bien (‘’jij bent ok’’ oftewel, het gaat)
  • ¿Estás bien? (‘’ben je ok?’’ oftewel, gaat het?)

Dus zoals je kunt zien, het enige onderscheid tussen de bevestiging en de vraag zijn de vraagtekens. Daarom is intonatie zo belangrijk. Wanneer we spreken, zonder de juiste intonatie, het is niet duidelijk of je iets vraagt of bevestigt. Natuurlijk context helpt meestal.

Maar dit was een gesloten vraag, als we een open vraag willen stellen hebben we vraagwoorden (interrogativos) nodig.

In het algemeen is het gebruik van vraagwoorden niet zo anders dan in het Nederlands, maar er zijn wel een paar dingen waar we extra aandacht aan moeten aanbesteden.

¿Qué? (Wat)

¿Qué quieres? ¿qué haces?

¿Cómo? (Hoe)

¿Cómo te llamas? ¿Cómo estás?

¿Cuándo? (Wanneer)

¿Cuándo viajas a España?

¿Dónde? (Waar)

¿Dónde estás?

 ¿De dónde (Waar vandaan)

¿De dónde vienes?

 ¿Adónde? (Waar naar toe)

¿Adónde vas?

¿Por qué? (Waarom)

¿Por qué trabajas?

Om antwoord te geven (omdat/want) gebruiken we “porque”. In principe hetzelfde woord, maar bij elkaar geschreven en met een andere intonatie. (Porque necesito dinero)

¿Para qué? (Waar voor)

¿Para qué necesitas dinero? Para viajar por el mundo.

¿Quién/Quienes? (Wie)

Het kan enkelvoud of meervoud zijn, afhankelijk van het zelfstandig naamwoord (¿quién es tu amigo? / ¿quiénes son tus amigos?). 

¿Cuál/Cuales? (Welke)

Net als bij quien /quienes kan het enkelvoud of meervoud zijn afhankelijk van het zelfstandig naamwoord.“¿cuál es tu auto?” ¿cuáles son tus amigos?“

¿Cuánto /a/os /as? (Hoeveel)

Dit is het enige vraagwoord dat mannelijk/vrouwelijk EN enkelvoud/meervoud kan zijn”¿cuántos años tienes?” “¿cuántas sillas tienes?” ¿cuánto dinero tienes?

¿Qué o Cuál?

We gebruiken deze twee vraagwoorden een beetje anders dan in het Nederlands.

Bijvoorbeeld ‘wat is jou naam?’, is “¿cuál es tu nombre?“, en niet “¿qué es tu nombre?”, hetzelfde geldt voor “wat is jou adres “(¿cuál es tu dirección?) of “wat is jou Telefoon nummer” (¿cuál es tu número de teléfono?).

In al deze voorbeelden vraagt je voor specifieke informatie  (naam, getal, adres).

 

Je kan ook “¿qué es tu número de teléfono?’ vragen, maar dan vraag je voor een beschrijving van wat jouw telefoon nummer is.

 

Als je tussen een aantal dingen moet kiezen, als het iets concreets is (objecten, dingen), gebruikt je wel CUAL, en als het over iets abstract gaat (situaties, acties) gebruik je QUE

  • ¿CUÁL quieres, La Mesa blanca o la negra?
  • ¿QUÉ quieres, ir a la playa o al cine?

Extra oefeningen

Blijf oefenen met deze (externe) oefeningen: