Spaans beginners platform

Voorzetsels (Naar, op, bij, voor...)

divisor

A

Dit voorzetsel geeft een bestemming aan. (vamos A la playa/we gaan NAAR het strand).

DE

Dit voorzetsel kan als VAN en UIT (oorsprong/herkomst/eigendom) vertaald worden (el auto es DE Juan. Juan viene DE España)

We gebruiken DE ook om te verwijzen naar inhoud (un vaso DE agua, una bolsa DE cemento).

EN

Geeft locatie aan (in, op, aan). Estoy EN Paris, La comida está EN la mesa, Estudio EN la universidad.
 We gebruiken EN ook voor maanden en seizoenen (EN Enero, EN verano).

POR en PARA

POR

Regel: 

Voor snelheid en aantal keren (in het Nederlands PER)

Voorbeeld: 

Voy al restaurante cinco veces por semana. Conduzco a 100 kms por hora.

Regel: 

Door (“through” in het Engels)

Voorbeeld: 

Caminamos por el parque. (We lopen door het park).

Regel: 

Tijdsduur (voor)

Voorbeeld: 

Yo estudio por dos horas. Tu viajas por dos semanas.

Regel: 

Communicatie (via)

Voorbeeld: 

Hablar por teléfono. Enviar por correo, por Skype, por telegrama, por señales de humo, etc.

Regel: 

Reden (door/vanwege)

Voorbeeld: 

No viajo por falta de dinero. El partido se suspende por lluvia. Lo hago por ti! (Ik reis niet DOOR/vanwege een gebrek aan geld).

Regel: 

“Estar + por” (op de punt staan van)

Voorbeeld: 

Estoy por comer.

Regel: 

In passieve constructies (door)

Voorbeeld: 

El libro fue escrito por Borges. (het boek was door Borges geschreven).

POR wordt ook bij meerdere uitdrukkingen gebruikt:

Por adelantado

Vooraf. “Pagar POR adelantado”

Por ahora

Voorlopig

Por casualidad

Toevallig

Por ciento

Percent

Por cierto

Trouwens

Por ejemplo

Bijvoorbeeld

Por eso

Daarom / Daarvoor

Por favor

Alstublieft

Por fin

Eindelijk

Por lo menos

Tenminste

Por supuesto

Natuurlijk

Por suerte

Gelukkig

Por último

Ten slotte

PARA

Regel: 

Doeleinde/doelstelling (om te)

Voorbeeld: 

El vaso es para beber agua. (het glas is om water uit te drinken).
Vamos a la playa para nadar (we gaan naar de strand om te zwemmen).

Regel: 

Aanwijzingen (om te)

Voorbeeld: 

Para hacer una paella, primero cortar cebolla.
(Om een paella te maken, (moet je/men) eerst de ui snijden).

Regel: 

Als iemand iets ontvangt (voor)

Voorbeeld: 

Este regalo es para ti. (Dit cadeau is voor jou).

Extra oefeningen

Blijf oefenen met deze (externe) oefeningen: