Spaans voor op reis

Les 12: Hostel gesprek

divisor

Locatie: Panama stad, Panama

Gesprek

– Hola, ¿cómo estás? ¿De dónde eres?

– Hoi, hoe is het? Waar kom je vandaan?

– Yo soy de Venezuela… llevo 7 meses en Panamá, y estoy conociendo distintos países… y nada, bien… Y tú, ¿cómo estás? ¿De dónde eres?

– Ik kom uit Venezuela. Ik ben al 7 maanden in Panama. En ik ben verschillende landen aan het bezoeken. En jij, hoe is het met jou? Waar kom je vandaan?

– Ha, muy bien. Yo soy de Argentina. ¿Estás viajando

– Ah, heel goed. Ik kom uit Argentinië. Ben je aan het reizen?

– Si, estoy viajando, este… luego… mi siguiente destino sería Quito.

– Ja, ik ben aan het reizen. Mijn volgende bestemming wordt Quito.

– Ha ok. ¿Y en qué países has estado en Latinoamérica?

– Ah ok, en in welke landen ben je geweest in Latijns-Amerika?

He estado en Colombia, y aquí en Panamá, y no había salido nunca de mi país, de Venezuela, pero ahora estoy empezando estos viajes, este… conociendo gente.

– Ik ben in Colombia en hier in Panama geweest. Ik was nog nooit uit Venezuela weggeweest, maar nu begin ik met dat soort reizen, en mensen leren kennen.

– Ha ok. ¿Y hace mucho tiempo que estás viajando?

– Ok, ben je al lang aan het reizen?

– Hace siete meses…

– Ehh, al 7 maanden.

– Wow, mucho tiempo… y, ¿vas a viajar por mucho tiempo más?

– Ah, dat is lang. En ga je nog langer reizen?

– Posiblemente, un año más…

– Waarschijnlijk nog een jaar.

– Ha ok, ¿y adónde te gustaría ir?

– Ah ok, en waar zou je graag naartoe willen gaan.

Me gustaría visitar Perú, quiero ir a Perú… y luego… no lo se… me tomaría unos días largos en Perú, y luego seguiría a Chile.

– Ik zou graag Peru willen bezoeken. En daarna naar Argentinië, dat heel dicht bij Peru is. En vervolgens, weet ik het niet. Ik neem een paar lange dagen voor Peru en daarna zou ik door willen gaan naar Chili.

Woordenschat

Basis werkwoorden

Ser / Estar

te zijn

Gustar

iets / iemand leuk of lekker vinden / houden van

Querer (ie)

willen

Belangrijk werkwoorden

Llevar

(llevar + tijd = tijdsduur) ‘’llevo una hora esperando’’

Conocer

iemand / plek kennen

Viajar

reizen

Salir

uitgaan

Empezar (ie)

beginnen (Synoniem comenzar)

Visitar

bezoeken

Tomar

nemen

Seguir

doorgaan / volgen

Belangrijk woordenschat

(Los) meses

de maanden

(Los) países

de landen

(El) destino

de bestemming

Nunca

nooit

Ahora

nu

(Los) viajes

de reizen

(La) gente

de mesen (mensen in het Spaans is enkelvoud!)

(El) año

het jaar

(Los) días

de dagen

Ik ben aan het reizen!

Heb je opgemerkt hoe wij ‘’gerundio’’ (estoy viajando) gebruiken? 
Onthou dat we gebruiken de gerundio voor acties die nog gaande zijn!
Meer weten? Bekijk deze filmpje! (Vanaf 7:52)

Ik heb gereisd...

Bekijk deze filmpje om te leren om dingen in het verleden tijd te zeggen!

Bereid je zich voor de Skype sessie!

Belangrijk punten van de les

  • Jezelf voorstellen.
  • Naam en andere basis informatie (land van herkomst/reisplannen) kunnen vragen.